
Paars tegen groen, oranje tegen blauw, roze tegen beton. De kleur moet vloeken met de omgeving, niet ermee versmelten. Twijfel je, neem paars: dat contrasteert vrijwel overal.
Rook is wind. Zet je model met de wind mee of dwars erop, nooit ertegenin, anders staat je model in twee seconden in de mist. Een lichte bries is ideaal: die trekt de wolk in een vorm. Windstil betekent een hangende deken, harde wind betekent dat je wolk weg is voor je hebt scherpgesteld.
Een WP40 rookt ongeveer negentig seconden en geeft je een hele serie. Een Burst geeft alles in de eerste seconden en is op zijn mooist in shot één tot vijf. Voor een lange shoot: meerdere WP40's. Voor dat ene beeld: Burst en vooraf alles klaarzetten.
Jij fotografeert. Een assistent trekt de ring, plaatst de granaat en houdt de tijd bij. De mooiste rookfoto's komen van sets waar de fotograaf niet zelf hoefde te rennen.
Rook vangt licht. Wie op de automaat schiet krijgt uitgebeten wolken zonder tekening. Iets onderbelichten houdt de structuur in de rook en de kleur verzadigd.
Rook met de zon of een flitser erachter krijgt een gloeiende rand en diepte. Vlak vooraf belichte rook wordt een saaie kleurvlek.
Warm omhulsel, dus niet in de hand tijdens lange series; op de grond plaatsen of tussen shots wisselen. Achttien plus, toestemming van de locatie, en laat geen uitgewerkte granaten achter. Netjes werken is de reden dat locaties je terugvragen.